1. Huisvesting van mensen met psychiatrische problemen: veranderingen en gevolgen – Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg

0

A. Beschermd wonen voor mensen met psychische problemen

Tot nu toe wonen veel mensen die zich vanwege psychische problemen niet zelfstandig kunnen handhaven in beschermde woonvormen. Bijvoorbeeld bij regionale instellingen voor begeleid wonen (RIBW). Het komt echter ook voor dat zij terecht komen in woonvoorzieningen van opvanginstellingen, gehandicaptenzorg en verpleeghuizen. Deze woonvormen zijn niet altijd als zodanig herkenbaar. Soms wonen mensen alleen of gezamenlijk in reguliere (corporatie-) woningen, in een ‘normale’ woonwijk. Voor het bieden van beschermd wonen is aanleiding als iemand er niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van toezicht of ondersteuning. Voor een deel van de doelgroep is ‘beschermd wonen’ een opstap (terug) naar zelfstandig wonen. Anderen blijven hun leven lang in een beschermde woonvorm wonen.

B. Begrippen in de GGZ-sector

De GGZ is een specialistisch segment in de gezondheidszorg. Zoals bij alle specialismen heeft ook de GGZ-sector zijn eigen terminologie. Voor een toelichting op GGZ-begrippen, klik hier » 

C. Veranderingen in de zorg

Door de hervorming van de langdurige zorg verandert er veel in de GGZ-sector. Verantwoordelijkheden verschuiven van het rijk naar gemeenten. Er ontstaat ruimte voor lokaal maatwerk en daarmee voor lokale verschillen. Kernbegrippen bij de hervorming van de GGZ zijn extramuralisering, ambulantisering, vermaatschappelijking en decentralisatie. De hervorming van de langdurige zorg gaat gepaard met bezuinigingen. Die treffen ook GGZ-cliënten. 

Doel van de hervorming is om het aantal mensen met een beperking en het aantal mensen met een psychiatrische aandoening dat wordt opgenomen een instelling zoveel mogelijk te beperken. De focus verschuift daarmee naar ondersteuning in de eigen leefomgeving. De Wet langdurige zorg (Wlz) is voor de meest zware vormen van zorg. Lichtere vormen van zorg en ondersteuning vallen onder de Zorgverzekeringswet of de Wmo.

D. Gemeente bepaalt aanbod begeleiding en beschermd wonen

Gemeenten zijn vanaf 2015 verantwoordelijk voor het aanbod beschermd wonen en voor de ‘extramurale begeleiding’. Bij de begeleiding gaat het zowel om individuele begeleiding (zoals hulp bij het plannen van activiteiten, de uitvoering van dagelijkse levensverrichtingen of het oplossen van conflicten) als om dagbestedingsactiviteiten die groepsgewijs plaatsvinden. Gemeenten hebben grote vrijheid bij het vormgeven van deze begeleiding.

Voor woningcorporaties is het van belang met de gemeente (en de RIBW, Maatschappelijke Opvang, VG- en GGZ-organisatie) te overleggen over de toekomst van het beschermd wonen en de begeleiding van GGZ-cliënten. Beschermd wonen is voor gemeenten relatief duur omdat cliënten geen huurtoeslag ontvangen. Het omzetten van plaatsen voor beschermd wonen naar zelfstandige woningen met zorg is daarom uit financieel oogpunt aantrekkelijk. Als wordt gekozen voor ‘scheiden van wonen en zorg’ bij beschermd wonen, is het van groot belang dat er voldoende wordt geïnvesteerd in de (woon-)begeleiding van zelfstandig wonende mensen met een psychiatrisch probleem. Overigens vallen de huidige bewoners van RIBW-woningen onder het overgangsregime dat in 2015 is aangevangen (gedurende maximaal vijf jaar). Zij hebben een individueel overgangsrecht dat opeisbaar is bij de gemeente.

E. Gevolgen voor corporaties

Er wordt in de toekomst een groter beroep gedaan op het sociale netwerk van zorgvragers. Mensen met een zorgvraag gaan in een veel later stadium naar een intramurale accommodatie of een voorziening voor beschermd wonen. Dat betekent dat er meer kwetsbare inwoners in ‘gewone’ corporatiewoningen en buurten wonen, terwijl tegelijkertijd de zorg en ondersteuning versobert. Het kabinet verwacht dat gemeenten in staat zijn de zorg en ondersteuning goedkoper te organiseren. Er wordt ingezet op hulp vanuit het eigen netwerk en zorgvragers gaan meer gebruik maken van algemene maatschappelijke voorzieningen. Juist voor de bijzondere doelgroepen is deze ‘vermaatschappelijking’ niet vanzelfsprekend. Zij beschikken vaak niet over een (groot) sociaal netwerk en kunnen niet altijd rekenen op de sympathie van hun directe omgeving. Voor woningcorporaties is het dus van groot belang dat de begeleiding van deze doelgroepen goed wordt geregeld.

Extramuralisering, ambulantisering en decentralisatie van ondersteuningstaken legt een grote verantwoordelijkheid neer bij gemeenten. Juist de mensen met een (lichte) verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening lopen het risico dat hun ondersteuningsbehoefte onvoldoende wordt onderkend. Als de zorg op lokaal niveau ontoereikend is, komen eventuele problemen van deze bewoners al snel bij de verhuurder terecht. Daarbij kan het gaan om huurders die overlast veroorzaken in hun buurt, maar ook om huurders waarvan de problematiek ‘achter de voordeur’ blijft (verwaarlozing, vervuiling, eenzaamheid of zelfs suïcide). In beide gevallen worden woningcorporaties aangesproken om iets aan de problemen van deze huurders te doen.  

F. Wetgeving biedt corporaties voldoende ruimte

De hervormingsoperatie in de zorg heeft voor corporaties tegenstrijdige impact:

  • Er is druk op corporaties om zich te beperken tot bouwen en verhuren en zich minder te bemoeien met leefbaarheid en problemen ‘achter de voordeur’;
  • Tegelijkertijd zijn inspanningen op het gebied van leefbaarheid juist noodzakelijk omdat de hervorming van zorg en sociale zekerheid grote consequenties heeft voor bijzondere doelgroepen.

Corporaties hebben er belang bij dat huurders met psychiatrische problemen of een (lichte) verstandelijke beperking goed worden begeleid. Ontoereikende begeleiding kan leiden tot verwaarlozing, overlast, wanbetaling of andere problemen. Een deel van de mensen, die voorheen een beroep konden doen op intramurale AWBZ-zorg zal bovendien ook in de toekomst behoefte hebben aan (of aangewezen zijn op) een ‘beschutte’ woonomgeving. Voor het aanbieden van woningen voor speciale doelgroepen op basis van het scheiden van wonen en zorg is goede samenwerking tussen woningcorporaties, zorgaanbieders en zorgfinanciers (gemeenten en zorgverzekeraars) noodzakelijk. De Herzieningswet laat activiteiten van corporaties op het gebied van wonen voor bijzondere doelgroepen en leefbare wijken toe.

De veranderende taakafbakening voor woningcorporaties

De afgelopen jaren is flink gedebatteerd over de rol van corporaties. Daarbij werd de vraag opgeworpen of corporaties hun taken niet te breed opvatten. Het kabinet is er voorstander van dat woningcorporaties zich (meer) concentreren op hun kerntaak: het huisvesten van huishoudens met lage inkomens.
De taakomschrijving van de woningcorporaties luidt ‘het huisvesten of doen huisvesten van personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting’. Deze omschrijving laat voldoende ruimte voor een actieve rol in de huisvesting van bijzondere doelgroepen.
In zijn brief aan de Tweede Kamer over activiteiten van woningcorporaties op het gebied van leefbaarheid, noemt minister Blok drie redenen voor een actieve rol van corporaties:
1. Investeringen in leefbaarheid kunnen goed zijn voor de waarde van het vastgoed;2. Het belang om huisuitzettingen te voorkomen door tijdig problemen te signaleren;

3. De (wettelijke) plicht om het woongenot van huurders te garanderen (en dus overlast tegen te gaan)

>> Ga door naar het volgende hoofdstuk: 2. Lokale samenwerking