S M

Hét informatiepunt voor professionals
op het gebied van wonen, welzijn en zorg

Wat kunnen andere partijen doen

Onderdeel van artikel It takes two to tango. Succes- en faalfactoren in de samenwerking tussen zorgorganisaties en zorgcoöperaties

Erkenning

Een belangrijk punt dat zowel door zorgcoöperaties als door zorgorganisaties naar voren wordt gebracht en dat de samenwerking zou kunnen faciliteren is de erkenning van zorgcoöperaties door andere partijen, zoals gemeenten, verzekeraars en zorgkantoren. Zorgcoöperaties geven aan dat zij door verschillende externe actoren nog steeds niet als volwaardige partner worden erkend, omdat zij als kleine organisatie niet voldoen aan alle gestelde eisen en er teveel risico’s worden gezien. Pas wanneer zij een samenwerkingsverband aangaan met zorgorganisaties worden zij als serieuze partner beschouwd. Op hun beurt benadrukken betrokken zorgorganisaties eveneens het belang van erkenning door andere partijen. Dit zou het ook voor hen makkelijker en minder risicovol maken om de samenwerking met zorgcoöperaties aan te gaan. Mocht het toch fout gaan dan is er immers een keur aan andere partijen die eveneens hun commitment hebben betoond.

Project Juul Alkmaar. Foto: wijkenbuurtgerichtwerken.nl

Wet- en regelgeving

Een ander punt dat door beide partijen naar voren wordt geschoven, ligt op het gebied van wet- en regelgeving. In gevallen van ketensamenwerking lijken spanningen hierover beperkt. Zorgcoöperaties zeggen vertrouwen te hebben in de uitvoering van bepaalde taken door professionals en behalve op de grote lijnen zich niet uitgebreid met deze zaken te bemoeien. Als er bepaalde procedures gelden, is dat prima, zolang de cliënt daar maar niets van merkt en goede zorg wordt geleverd. Zaken als regelingen van de cao (bijvoorbeeld werktijden) en kwaliteitseisen blijven dan een issue voor de zorgorganisatie. Anders wordt dit wanneer zorgcoöperaties zelf personeel in dienst gaan nemen en in feite gaan fungeren als een alternatieve zorgorganisatie. In die gevallen doen zich op dit gebied de nodige spanningen voor - met het kopen van vis op de markt in Hoogeloon als iconisch voorbeeld. Zorgcoöperaties moeten in die gevallen voldoen aan dezelfde eisen en wet- en regelgeving die ook voor de grotere zorgorganisaties gelden. Zorgorganisaties zijn gewend om binnen deze kaders te werken, ook al geven zij ook steeds vaker aan dat deze als knellend worden ervaren; zorgcoöperaties daarentegen voelen er vaak weinig voor om zich te voegen binnen deze voorgeschreven kaders.

Een snelle oplossing lijkt niet voor handen. Veel meer vraagt dit thema een maatschappelijk doordenken van bestaande regels en protocollen en discussie over de achtergronden, het waarom en de doelen van bepaalde regels. Het debat hierover is al gaande en ook vanuit VWS wordt gezocht naar manieren om hierin verandering aan te brengen, bijvoorbeeld met experimenten met regelvrije ruimten en lichte regelregimes (zie plan Van Rijn, Waardigheid en Trots. Liefdevolle zorg voor onze ouderen). Een respondent vanuit de zorgorganisaties benadrukte daarbij om deze regelvrije ruimten niet te beperken tot specifieke organisatievormen zoals de coöperatie. Ook vanuit de zorgorganisaties bestaat de wens om hiermee te experimenteren en ook zij verwachten hiervan veel te kunnen leren.

Financiering

Een ander probleem waar zorgcoöperaties die verder willen gaan dan alleen het bemiddelen in zorgaanbod tegenaan lopen heeft te maken met het financiële plaatje. Zorgcoöperaties klagen over versplintering van het budget, waardoor voortdurend met verschillende instellingen en organisaties afzonderlijk afspraken gemaakt moeten worden. Tegelijkertijd worden zij door de budgethouders, zoals zorgkantoren en verzekeraars, gedwongen om zich in een groter verband te organiseren, omdat deze geen losse afspraken willen maken met elke zorgcoöperatie afzonderlijk. Bovendien ervaren sommige zorgcoöperaties een onnodige afhankelijkheid van zorgorganisaties die immers als hoofdaannemer fungeren omdat zorgcoöperaties de benodigde WTZi-kwalificaties missen. Meer in het algemeen ervaren zorgcoöperaties de eisen die budgethouders stellen als te rigide. Ze zijn gebaseerd op de organisatiestructuur van de grote instellingen en daardoor ook niet realistisch voor de kleinere lokale zorgcoöperaties. Bij aanbestedingsprocedures vallen ze daardoor al bij voorbaat buiten de boot. De zorgcoöperaties hebben daarbij het gevoel dat er in het hele proces rigide afvinklijstjes worden gehanteerd, waardoor überhaupt een gesprek over alternatieve mogelijkheden in de kiem wordt gesmoord. Voor zorgorganisaties bestaan dergelijke problemen niet of veel minder.

Zeker gemeenten zouden een rol kunnen spelen in het verminderen van deze ervaren machtsongelijkheid tussen beide partijen. Ze zouden bij de inkoop van zorg bijvoorbeeld meer eisen kunnen stellen aangaande de integratie van de zorg met de wijk. Dat dwingt zorgorganisaties om het gesprek aan te gaan met coöperaties en geeft zorgcoöperaties een sterkere onderhandelingspositie.

Ook bestaande vereisten om voor financiering in aanmerking te komen kunnen opnieuw worden doordacht. Die zijn immers vaak geformuleerd op basis van de grotere organisatievormen terwijl alternatieven eveneens denkbaar zijn. Om in aanmerking te komen voor bepaalde potjes is bijvoorbeeld het hebben van een Raad van Toezicht een vereiste. Die ontbreekt bij coöperaties, maar ze hebben wel leden die vergelijkbare functies kunnen vervullen. Ook zou nagedacht kunnen worden over vormen van persoonsvolgende bekostiging waarbij de financiering de keuze van de cliënt volgt als alternatief voor de pgb’s.

>> Ga door naar het volgende onderdeel 'Conclusies en aanbevelingen'

23-11-2015 14:39