Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg – Levensloopbestendige woningen – ontwikkeling

0

  • Home » 
  • Levensloopbestendige woningen – concep.. » 
  • Ontwikkeling

De grootschalige ontwikkeling van levensloopbestendige/levensloopgeschikte woningen begon in 1984 binnen de corporatiebranche. De Nationale Woningraad (voorloper van Aedes) startte met 40 woningcorporaties het experiment aanpasbaar bouwen, gericht op de nieuwbouw. Uitgangspunt was dat basiseisen die verband houden met fysieke handicaps standaard moeten worden toegepast (bredere deuren, voldoende ruimte op strategische plaatsen, voorzieningen op de juiste hoogte). Daardoor zijn woningen direct al grotendeels bruikbaar voor mensen met een handicap. Met geringe investeringen kunnen ze verder worden aangepast aan veranderende fysieke mogelijkheden van de bewoners. Deze benadering maakt ingrijpende aanpassingen grotendeels overbodig. De eisen voor aanpasbaar bouwen werden integraal overgenomen in het Handboek voor Toegankelijkheid.

Bouwbesluit

Op 1 juli 1997 werden vijf basiseisen van aanpasbaar bouwen opgenomen in het Bouwbesluit, dat geldt voor alle woningen in Nederland: lage drempels, brede deuren, rolstoelbezoekbaar toilet, bredere galerijen, ruimte reserveren voor een lift bij 2 tot 4 verdiepingen (daarboven is de lift al verplicht).

WoonKeur

Begin jaren negentig introduceerden de ouderenbonden het begrip ‘levensloopbestendig bouwen’. De eisen werden uitgewerkt voor het Handboek Seniorenlabel, dat nu niet meer bestaat: de eisen zijn grotendeels overgenomen in het Handboek WoonKeur.

In 1998 werden eisen voor bezoekbaarheid en aanpasbaarheid opgenomen in het Handboek voor het certificaat WoonKeur, dat verschillende eisenpakketten combineerde (eisen voor aanpasbaar bouwen uit het Handboek voor toegankelijkheid, Seniorenlabel, Politiekeurmerk veilig wonen en het Handboek Woningkwaliteit van de vrouwenadviescommissies). De bijbehorende normen werden in 1999 vastgelegd op een NEN-normblad.

Handboek BuitenGewoon Wonen

Het Handboek BuitenGewoon Wonen, dat in 2001 verscheen, bevat de eisen die verband houden met verstandelijke en cognitieve handicaps (24-uurs begeleiding) en de eisen die verband houden met zorginfrastructuur voor groepswonen (verdere informatie over dit handboek bij het thema kleinschalig wonen).

Bestaande woningen

Het verbeteren van bestaande woningen voor ouderen en mensen met een handicap wordt populair aangeduid als ‘Opplussen’. Samen met de woningcorporaties ontwikkelde de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) het Handboek Opplussen. De eisen gaan minder ver dan die voor nieuwbouw omdat geen rekening wordt gehouden met rolstoelgebruik. Ook bij opplussen gaat het om collectieve maatregelen, die voor een heel woningcomplex of een deel ervan worden getroffen. Dat kan gefaseerd gebeuren door alleen woningen die vrijkomen te verbeteren. Ook wordt er wel voor gekozen in een flat alleen de woningen aan één galerij op te plussen.

Certificaat Opplussen

Nadat de SEV stopte met het opplussen is in 2004 begonnen met het vastleggen van eisen voor het certificaat Opplussen. Het handboek met de eisen voor het certificaat Opplussen verschijnt eind 2005. De ontwikkeling van het certificaat wordt gefinancierd door het Ministerie van Volkshuisvesting, de provincie Overijssel en het Aedes-Arcares Kenniscentrum Wonen-Zorg.

Seniorenscore

Een instrument om te kunnen beoordelen of het zin heeft voor bepaalde woningcomplexen opplusplannen uit te werken is de ‘Seniorenscore’, ontwikkeld door SEV en de ouderenbonden.

Productontwikkeling

De SEV stimuleerde enige jaren de ontwikkeling van nieuwe producten voor verbetering van bestaande woningen, zoals kleinere liften, nieuwe methoden voor het verhogen van galerijen en producten voor het anti-slip maken van vloeren. De verdere ontwikkeling van producten voor bestaande woningen en de informatievoorziening daarover is ter hand genomen door de in 2004 opgerichte Stichting Kenniscentrum Opplussen. Lees meer.