Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg – Welke innovaties hebben echt het aangezicht van woonzorgland veranderd?

0

Essay in de reeks ‘Vijf jaar innovatie in wonen en zorg’ – april 2007
Download essay in pdf-formaat (pdf, 31 kb)

Jeroen Singelenberg, programmaregisseur SEV
(2002-2004 manager Kenniscentrum Wonen-Zorg)

Nog geen lente…
‘In 2002 waren er al over de honderd woonzorgcomplexen in de plaats gekomen van even zovele verzorgingshuizen, waren er al een stuk of veertig woonzorgzones in diverse stadia van ontwikkeling en waren er eveneens een stuk of veertig kleinschalige woonvormen voor dementerenden in het land.
Scheiding van wonen en zorg was toen al een jaar of tien een hot item, maar het schoot nog niet erg op. De bouw van nieuwe woonzorgcomplexen zakte zelfs in na de intrekking van de Wet op de Bejaardenoorden in 2001. Je moest toen een sterke overtuiging hebben om gewoon door te gaan op de weg van extramuralisering, want terwijl het oude (bouw)regime afkalfde, was het nieuwe nog allesbehalve aanlokkelijk. En de beoogde partners in bouw, de woningcorporaties en zorginstellingen, snuffelden aan elkaar maar vertrouwden elkaar nog niet erg – in de meeste gevallen.

Innovatie ondanks recessie
Het gevolg was: stagnatie. De bouw oude stijl verminderde, de bouw nieuwe stijl kwam niet voldoende van de grond. En dat alles ging gepaard met een economische recessie, terwijl op het ministerie van VWS de beleidsmakers steevast een paar jaar voor de regelgevers uitliepen, zodat we constant in onduidelijke overgangssituaties verkeerden. Kortom: twee stappen vooruit en een stap achteruit. Geen ideaal klimaat voor innovatie. Toch moet ik zeggen dat in diezelfde jaren het aantal vernieuwers onder de directeuren van wonen en van zorg gestaag toenam. De sector leek een eigen dynamiek te hebben ontwikkeld, los van ongunstige condities. Een probleem als bijvoorbeeld financiering van zorginfrastructuur bleken de vernieuwers uiteindelijk zelf te kunnen oplossen.

Wat zijn de echte blijvertjes?
Het Kenniscentrum hield in die jaren de blik vooruit gericht en is daar, moet ik zeggen, altijd in gesteund door de directies van de beide brancheverenigingen. Gretig hebben we nieuwe woonzorgconcepten opgezogen uit binnen- en buitenland en vervolgens doorgegeven en uitgerold. Maar welke zijn nu de echte blijvertjes? Waar hebben we te maken met een slingerbeweging en waar met een doorzettende ontwikkeling die het woonzorglandschap ingrijpend zal veranderen?

WoonzorgcomplexenDe hoogtijdagen van het woonzorgcomplex zijn voorbij. Het concept diende vanaf 1989 als breekijzer om het introverte verzorgingshuis open te breken en een enorme kwaliteitsimpuls te geven – en is hierin ruimschoots geslaagd. Het is echter bij uitstek een coproduct van de sociale huursector en de intramurale zorgsector en als zodanig verbonden aan het typisch Nederlandse naoorlogse bestel. Kijken we naar het middensegment van de woningmarkt en naar de ontwikkelingen in het buitenland dan zien we dat er nog steeds teveel zorg in het product zit ingebakken. De trend is meer richting ‘vrije’ senioren communities op basis van wonen, met zorg onzichtbaar aanwezig als ware het thuiszorg. Voorlopers als De Wielborgh hebben in hun laatste projecten deze tekenen des tijds al verstaan.

Het wozoco als gebouw is in ons land meestal nog te ‘zorgelijk’. In het buitenland zie je ook wel zoiets ontstaan, maar dan voor een zwaardere doelgroep dan bij ons. En dus met een geringer volume.

Woonzorgzones
De woonzorgzone is nog steeds bezig aan een opmars, maar verdunt zich geleidelijk tot een woonservicewijk. Het is een populair concept: voor alle leeftijden, voor alle zorgzwaarten, voor alle inkomens. Hier zit ook meteen het zwakke punt: het onderscheidend vermogen. Wie zegt mij wat precies een woonservicewijk is? Zit er ook in wat op de verpakking staat? Is straks met landelijk 25% ouderen en gehandicapten niet heel Nederland een woonzorgzone geworden? Wie vallen er nog buiten? Alleen de dunbevolkte gebieden, het ‘buitengebied’? Ook daar zijn tendensen om niet meer te hoeven verhuizen bij ouderdom of gebreken, zoals het voorbeeld Trynwâlden heeft aangetoond.

Ik heb nog geen charter zien passeren met criteria waaraan een woonzorgzone – of voor mijn part woonservicewijk – moet voldoen. ‘Goedgekeurd door het Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg’, dat zou mooi zijn. Of nog beter: ‘goedgekeurd door organisaties van ouderen en gehandicapten’. Wil het concept blijvende betekenis hebben dan moet daar iets in staan over loopafstanden, responstijden, netwerkverbindingen, serviceaanbod, meldpunt indien uw rollator of rolstoel vastloopt bij een barrière, enzovoorts.

Kleinschalig groepswonen
Nederland is laat gestart met kleinschalig groepswonen voor dementerenden. Toen Zweden al op 70% zat, was in ons land nog geen 1% van de verpleeghuisbedden omgezet in kleinschalig. En ook in onze eigen gehandicaptensector is deze ontwikkeling al veel verder gevorderd.
Gebouwen en boekwaarden zijn natuurlijk weerbarstig, maar een belangrijke ontdekking die o.a. werd gedaan in de Hogewey en de Strijp was dat de sfeer en attitude die horen bij kleinschalige zorg ook in een ouderwets grootschalig gebouw alvast kunnen worden ingevoerd. Of het hierbij behorende leefstijlconcept een blijvertje zal zijn, vraag ik mij af. Uit onderzoek blijkt dat het wel erg inspirerend is voor personeel, maar veel bewoners niet echt bereikt. Toch zijn bewoners wel gevoelig voor verschillen in sfeer, zoals rustig en druk en klassiek en modern, maar ze willen graag zelf per dag kunnen kiezen waar ze bij horen en met de voeten stemmen door naar een bepaalde huiskamer toe te lopen, zo bleek bij een experiment in Engeland en in Denemarken. Dat pleit dan toch weer voor het schakelen van minstens vier leefgroepen in de dagsituatie, waarmee de trend naar super kleinschalig voorbij is. Waar het om gaat is, zoals Nico de Boer van het Anton Pieckhofje het destijds uitdrukte, het ‘primaat van het dagelijks leven’ (in plaats van het primaat van de zorg). Die huiselijkheid is een innovatie die niet meer weg zal gaan en is belangrijker dan de schaal van het gebouw.

Senioren communitiesEen nieuwe trend die uit het buitenland komt overwaaien en wel uit het hogere marktsegment zijn de seniorensteden en -dorpen uit Amerika en Engeland. Gaat dat in Nederland ook gebeuren? De woongemeenschappen van ouderen zijn hier een beperkt fenomeen gebleven.

Onderzoek onder nog vitale ouderen (55-75 jaar) geeft aan dat het individualisme ten onzent nog steeds hoogtij viert. De meeste ouderen moeten er nog niet aan denken ‘iets met andere ouderen te moeten’, zij associëren woongemeenschappen met hetzij geitenwol hetzij golfpantalons en in ieder geval met sociale controle. Amerikanen vinden die sociale controle juist fijn en Britten zijn dol op het opzetten van clubs. En wij Nederlanders komen er toch straks ook niet onderuit om minimaal zoiets als een vereniging van eigenaren op te zetten om een zeker draagvlak te hebben voor de inkoop van zorg en diensten. En om elkaar straks in praktische zin te helpen en zelf enig welzijn te organiseren, ook al willen we daar nu nog niets van weten. Als het dan toch moet, zo geven de respondenten aan, dan liefst met mensen van alle leeftijden en niet alleen met senioren. Maar voelen alle leeftijden daar ook voor? Hier ligt nog een heel studie- en ontwikkelingsterrein braak voor het Kenniscentrum, lijkt me.

Echt innoveren
Innovaties gaan vaak met krampen en tegenbewegingen gepaard en early innovators komen soms provocerend of ijdel over. Maar zij zijn uiteindelijk wel degenen die het woonzorglandschap in Nederland drastisch veranderd hebben. Dat gaat inmiddels 20 jaar terug, dus veel langer dan het Kenniscentrum bestaat. In de gebouwenvoorraad zie je die veranderingen altijd vertraagd terug, en ook de oude echt intramurale zorgcultuur verdwijnt maar langzaam. Zo is het bijvoorbeeld voor professionals in verpleeghuizen een hele toer om het ziekenhuis als Leitbild te vervangen door een groepje woningen rond een expertisecentrum. In deze grote, lange golf heeft het Kenniscentrum in die vijf jaar een duwtje mogen geven. En er is nog veel te doen. Want een nieuw gebouw werkt toch stimulerend op een nieuwe zorgcultuur. En er staan nog erg veel deprimerende zorggebouwen in ons land. Alle scenariostudies en planologische kengetallen van het Kenniscentrum zijn natuurlijk taakstellend, dat wil zeggen wishful thinking. Als we de komende honderd dagen nu eens aan de nieuwe regering een plan zouden kunnen aanbieden om in pakweg acht jaar hoe dan ook van die oude gebouwen af te komen…. Zou de tijd nu rijp zijn voor een nieuwe Steen der Wijzen?