
Wat kan maatschappelijk ondernemen betekenen voor (de kwaliteit van) het leven in onze Nederlandse wijken? Dat was de centrale vraag op 2 oktober 2008 bij een symposium van de Radboud Universiteit in Nijmegen over maatschappelijk ondernemen in de wijk.
Deskundigen belichtten deze vraag aan de hand van hun ervaringen:
Karen Fulbright-Anderson, werkzaam bij het Aspen Institute, Roundtable on Community Change, presenteerde haar ervaringen met wijkvernieuwing in de Verenigde Staten. "Er is geen blauwdruk voor succesvolle wijkaanpak", stelt zij. Wel noemt zij een groot aantal leerpunten die bewoners en professionals nodig hebben om succes te kunnen boeken
Wijkvernieuwing dient bijvoorbeeld integraal en ambitieus te worden aangepakt, omdat problemen vaak meerdere oorzaken hebben. Fulbrigth-Anderson waarschuwt tegelijkertijd voor de mogelijkheid ten onder te gaan aan een te veel integrale benadering. Soms is een wijk meer gebaat bij een eenvoudige aanpak: stel realistische doelen, draag praktische oplossingen aan en boek daarmee concrete resultaten.
Hoe kan grondbeleid worden ingezet om maatschappelijke investeringen voor wonen en zorg beter mogelijk te maken? George de Kam en Erwin van der Krabben onderzochten de nieuwe instrumenten die op 1 juli 2008 zijn ingevoerd op basis van de nieuwe wet Ruimtelijke ordening, zoals de nieuwe Grondexplotatiewet. Deze wet is volgens hen een stap vooruit.
De wet biedt nieuwe mogelijkheden om realisatie van maatschappelijke doelstellingen te koppelen aan investeringen door de markt. Maar de markt moet wel bereid zijn om te investeren. Waar dat niet het geval is, kan alleen een beroep op extra inzet van maatschappelijke ondernemingen of het verstrekken van subsidies uitkomst bieden.
Op het symposium gaven vier deskundigen een presentatie over kleinschalig wonen in de wijk:
Piet de Vrije vertelde over de ervaringen van woonstichting Patrimonium uit Veenendaal met kleinschalig wonen. Volgens De Vrije zijn de projecten van Patrimonium succesvol: voor bewoners is de stap naar de maatschappij veel kleiner en vrijwilligers zijn meer betrokken. De projecten zijn succesvol doordat de woonstichting ieder project afstemt op de wijk: "Als het niet bij de wijk past, komt het er niet." Naarmate de handicap zwaarder wordt, is de participatie beperkter en is het succes daardoor ook minder groot.
Selma te Boekhorst onderzocht voor het Trimbos Instituut kleinschalig wonen voor mensen met dementie. Uit haar onderzoek blijkt dat bewoners van kleinschalig wonen meer genieten van de omgeving. Zij hebben meer om handen, zijn zelfstandiger in ADL en zijn meer sociaal betrokken. Er is echter geen verschil in de meeste schalen van kwaliteit van leven, gedragsproblemen en het gebruik van psychofarmaca.
Hans Kröber heeft als directeur van zorgorganisatie Pameijer te Rotterdam veel ervaring met het organiseren van het wonen en leven in de samenleving voor mensen met verstandelijke beperkingen. Uit het onderzoek van Kröber blijkt onder andere dat succesvolle zorgorganisaties veel energie steken in het leggen van verbindingen met de omgeving. "Inclusie, dat kun je organiseren", aldus Kröber.
Jos van der Lans gaf een afsluitende beschouwing op het onderwerp kleinschalig wonen. Hij wijst op het belang van ervaringen uit het verleden: "We moeten niet alleen kijken vanuit zorgperspectief, maar vanuit leefperspectief." Een goed voorbeeld is de Vrijburcht in Amsterdam IJburg. Dit is een gebouw dat gerealiseerd werd in collectief particulier opdrachtgeverschap, waarin ook een aantal appartementen voor mensen met behoefte aan zorg en begeleiding zijn opgenomen. Van der Lans ziet bij het maken van dit soort woonsituaties een belangrijke rol voor corporaties weggelegd.
Bijzonder hoogleraar George de Kam organiseert jaarlijks een symposium rond het onderwerp van zijn leerstoel Maatschappelijk ondernemen met grond en locaties. De leerstoel is een gezamenlijk initiatief van Aedes en ActiZ.
30-10-2008